We starten het jaar met een onderdompeling in ons studiedomein: cultureel erfgoed. Je gaat meteen het diepe in en zelf aan de slag. Telkens wordt de vraag gesteld: wat is cultureel erfgoed? Wanneer is iets cultureel erfgoed? We bouwen aan een gemeenschappelijk begrippenkader: waar hebben we het over als we het over erfgoed hebben? Aan de hand van concrete voorbeelden maak je kennis met verschillende soorten erfgoed en verschillende belanghebbenden: de erfgoedprofessional, de erfgoedgebruiker, de mens die het erfgoed in kwestie liefheeft of juist afwijst.

In ontmoetingen met erfgoedprofessionals en andere experts krijg je de gelegenheid om erachter te komen met welke vraagstukken zij in hun beroepspraktijk te maken krijgen. Welke uitdagingen zien zij en welke rol speelt ethiek in hun werk? Zo leer je dat iedereen een andere betekenis geeft aan zaken die erfgoed genoemd worden en dat je als erfgoedprofessional inlevingsvermogen nodig hebt om je werk vakkundig te kunnen uitvoeren. Je krijgt een goed overzicht van het werkveld en je kunt je misschien al beter voorstellen hoe jij daar –als erfgoedprofessional van de toekomst– een bijdrage aan zult leveren.

OE1 en OE2 zijn twee afzonderlijke onderwijseenheden, maar zijn tegelijk geroosterd. Sommige excursies zijn voor beide onderwijseenheden: dan worden er vragen aan je gesteld vanuit OE1 en vanuit OE2.

OE1: Erfgoedprofessional

Je verkent het huidige erfgoedveld, maakt kennis met verschillende erfgoedprofessionals en hun activiteiten en weet hoe het erfgoedveld zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Je maakt kennis met een aantal verschillende erfgoedkwesties en betrokkenen om zo erfgoed als verschijnsel in een brede en complexe context te kunnen plaatsen. Je past dit op een verstandige wijze toe in 'gesprekken over erfgoedkwesties'. Door deze gesprekken ontwikkel jij jezelf als erfgoedprofessional.

Rooster, opdrachten, bronnen en colleges zijn te vinden in de digitale leeromgeving
PERIODE jaar 1, week 37 t/m week 41
TOETSING KANS 1 week 41
TOETSING HERKANSING week 3
TOETSING OVERMACHT week 14
CODE nog te bepalen
AANTAL STUDIEPUNTEN 4
INGANGSEISEN geen
BEOORDELINGSSCHAAL behaald/niet behaald
Eindtermen

Onderstaande eindtermen 1 en 4 die een RWA-erfgoedprofessional met een afgeronde bachelor in huis moet hebben, komen extra naar voren in deze onderwijseenheid:

  1. Heeft brede, geïntegreerde kennis en begrip van het proces en de praktijk van erfgoedvorming in heden en verleden in diverse maatschappelijke contexten.
  2. Kan vanuit de rol van erfgoedprofessional relevante en actuele onderzoeksmethoden, materialen, systemen, procedures, technieken, wetten en codes identificeren, toepassen en/of gebruiken in erfgoedprocessen en erfgoedproducten.
  3. Kent het brede erfgoedperspectief en de grenzen van de eigen professie, kan in samenwerkingsverbanden zijn of haar toegevoegde waarde laten zien en weet effectief advies in te winnen bij collega-professionals.
  4. Onderkent en analyseert complexe vraagstukken in het actuele en toekomstige erfgoeddomein, toont leiderschap en positioneert zich als een maatschappijgerichte, oplossingsgerichte en erfgoedwijze professional.
  5. Identificeert, verzamelt en analyseert relevante gegevens om op tactische, strategische en creatieve wijze erfgoedvraagstukken op te pakken.
  6. Zoekt samenwerkingen en verbindingen met specialisten en niet-specialisten, met oog voor maatschappelijke ontwikkelingen en vanuit een professionele (communicatieve, omgevingsbewuste, ondernemende en zelf reflectieve) houding.
  7. Ontwikkelt zich door zelfreflectie en zelfbeoordeling van eigen (leer)resultaten.
Casustoets

Deze onderwijseenheid wordt afgesloten met een casustoets. Een casus is een beschrijving van een zo authentiek mogelijke beroepssituatie waarover vragen worden gesteld. De vragen gaan over de toepassing van de kennis, vaardigheden en houdingen die je hebt opgedaan tijdens de colleges en excursies.

OE2: Erfgoedbeleving

Vaak wordt van erfgoedprofessionals verwacht dat ze aansluiting zoeken bij het publiek en cultureel erfgoed relevant kunnen maken voor verschillende groepen in de samenleving. Maar ervaart iedereen bepaalde collecties, monumenten en tradities wel op dezelfde manier? Je kunt met behulp van concrete voorbeelden uitleggen dat mensen vaak verschillende betekenissen geven aan hetzelfde erfgoed. Je onderzoekt hoe erfgoedorganisaties hierop inspelen of juist niet. Een erfgoedprofessional staat continu voor de keuze: welk verhaal wil ik vertellen, aan wie en met welke middelen? En wie moet en wil erbij betrokken worden? Je leert daarom hoe je in de huid kunt kruipen van een ander en hoe je je kennis inzet voor het werken met doelgroepen.

Rooster, opdrachten, bronnen en colleges zijn te vinden in de digitale leeromgeving.
PERIODE jaar 1, week 37 t/m week 41
TOETSING KANS 1 week 41
TOETSING HERKANSING week 3
TOETSING OVERMACHT week 14
CODE nog te bepalen
AANTAL STUDIEPUNTEN 4
INGANGSEISEN geen
BEOORDELINGSSCHAAL behaald/niet behaald
Eindtermen

Onderstaande eindtermen 4, 5 en 6 die een RWA-erfgoedprofessional met een afgeronde bachelor in huis moet hebben, komen extra naar voren in deze onderwijseenheid:

  1. Heeft brede, geïntegreerde kennis en begrip van het proces en de praktijk van erfgoedvorming in heden en verleden in diverse maatschappelijke contexten.
  2. Kan vanuit de rol van erfgoedprofessional relevante en actuele onderzoeksmethoden, materialen, systemen, procedures, technieken, wetten en codes identificeren, toepassen en/of gebruiken in erfgoedprocessen en erfgoedproducten.
  3. Kent het brede erfgoedperspectief en de grenzen van de eigen professie, kan in samenwerkingsverbanden zijn of haar toegevoegde waarde laten zien en weet effectief advies in te winnen bij collega-professionals.
  4. Onderkent en analyseert complexe vraagstukken in het actuele en toekomstige erfgoeddomein, toont leiderschap en positioneert zich als een maatschappijgerichte, oplossingsgerichte en erfgoedwijze professional.
  5. Identificeert, verzamelt en analyseert relevante gegevens om op tactische, strategische en creatieve wijze erfgoedvraagstukken op te pakken.
  6. Zoekt samenwerkingen en verbindingen met specialisten en niet-specialisten, met oog voor maatschappelijke ontwikkelingen en vanuit een professionele (communicatieve, omgevingsbewuste, ondernemende en zelf reflectieve) houding.
  7. Ontwikkelt zich door zelfreflectie en zelfbeoordeling van eigen (leer)resultaten.
Beroepsproduct: een analyse

Deze onderwijseenheid wordt afgesloten met een beroepsproduct: een analyse naar aanleiding van een vraag die je aangereikt krijgt tijdens de lessen. Een analyse is een samenhangende ontleding van een vraagstuk dat dient tot inzicht.

Delen