In OE3 en OE4 wordt de brede erfgoedbenadering verder verdiept en onderzoeken we besluitvorming rondom concrete erfgoedkwesties. Je hebt je op deze langere onderwijseenheden kunnen voorbereiden in de witte weken voor de onderwijseenheden starten.

Deze twee OE’s gaan over besluitvorming en betekenisgeving in erfgoedprocessen. Wie is de mens die het erfgoed relevant vindt, of juist niet relevant? Wat betekent het als objecten, rituelen, gebouwen, plaatsen en documenten het stempel cultureel erfgoed hebben of krijgen? Waarom is dat stempel van belang en voor wie? Wie zijn betrokken bij het gesprek over dat specifieke ‘erfgoed’, welke belangen spelen daarbij mee? Je gaat werken met verschillende waarderingsinstrumenten in de praktijk, en analyseert daarmee wat waardering betekent.

Zo leer je om in het heden op een ‘erfgoedwijze’ manier om te gaan met het verleden, richting de toekomst. We bouwen voort op OE1 en OE2 door de zaken die we daar ontdekt hebben te verbreden en te verdiepen.

OE3: Erfgoedvorming

In de vorige onderwijseenheden is duidelijk geworden dat ‘cultureel erfgoed’ een overkoepelende term is. Het omvat niet alleen collecties, artefacten, gebouwen en tradities maar is veel breder. In deze onderwijseenheid maak je je belangrijke basisconcepten en instrumenten eigen die bij de waardering van erfgoed worden gebruikt. Je zet verdere stappen in het verkennen van de dynamiek rond cultureel erfgoed en leert het gesprek hierover beter te begrijpen en beter te voeren.

Rooster, opdrachten, bronnen en colleges zijn te vinden in de digitale leeromgeving.
PERIODE jaar 1, week 45 t/m week 51
TOETSING KANS 1 week 51
TOETSING HERKANSING week 3
TOETSING OVERMACHT week 14
CODE nog te bepalen
AANTAL STUDIEPUNTEN 4
INGANGSEISEN geen
BEOORDELINGSSCHAAL behaald/niet behaald
Eindtermen

Onderstaande eindtermen 1, 2 en 5 die een RWA-erfgoedprofessional met een afgeronde bachelor in huis moet hebben, komen extra naar voren in deze onderwijseenheid:

  1. Heeft brede, geïntegreerde kennis en begrip van het proces en de praktijk van erfgoedvorming in heden en verleden in diverse maatschappelijke contexten.
  2. Kan vanuit de rol van erfgoedprofessional relevante en actuele onderzoeksmethoden, materialen, systemen, procedures, technieken, wetten en codes identificeren, toepassen en/of gebruiken in erfgoedprocessen en erfgoedproducten.
  3. Kent het brede erfgoedperspectief en de grenzen van de eigen professie, kan in samenwerkingsverbanden zijn of haar toegevoegde waarde laten zien en weet effectief advies in te winnen bij collega-professionals.
  4. Onderkent en analyseert complexe vraagstukken in het actuele en toekomstige erfgoeddomein, toont leiderschap en positioneert zich als een maatschappijgerichte, oplossingsgerichte en erfgoedwijze professional.
  5. Identificeert, verzamelt en analyseert relevante gegevens om op tactische, strategische en creatieve wijze erfgoedvraagstukken op te pakken.
  6. Zoekt samenwerkingen en verbindingen met specialisten en niet-specialisten, met oog voor maatschappelijke ontwikkelingen en vanuit een professionele (communicatieve, omgevingsbewuste, ondernemende en zelf reflectieve) houding.
  7. Ontwikkelt zich door zelfreflectie en zelfbeoordeling van eigen (leer)resultaten.
Casustoets

Dit vak wordt afgesloten met een casustoets. In OE1 heb je daar al mee kennisgemaakt. Je krijgt vragen over de casus die je met kennis van begrippen, concepten en op basis van de artikelen beantwoordt. Vervolgens zet je al deze informatie in bij het schrijven van een beargumenteerd kort advies.

OE4: Cultuurgeschiedenis

Je herinnert ze vast nog wel; de 10 tijdvakken bij geschiedenis. In deze onderwijseenheid maken we bewust de keuze om buiten de kaders van het welbekende geschiedverhaal te treden dat vaak wordt gedomineerd door ‘het Westen’. Via een thematische benadering van cultuurgeschiedenis ontwikkel je de gevoeligheid om met verschillende perspectieven om te gaan en uit te groeien tot een ‘erfgoedwijze’ professional. In deze onderwijseenheid word je steeds uitgedaagd om voorbij je eigen referentiekader naar ‘de wereld’ te kijken en om minder bekende perspectieven uit te lichten. Zo wordt duidelijk dat de manier waarop mensen naar het verleden kijken afhankelijk is van hun positie in tijd en ruimte.

Rooster, opdrachten, bronnen en colleges zijn te vinden in de digitale leeromgeving.
PERIODE jaar 1, week 45 t/m week 51
TOETSING KANS 1 week 51
TOETSING HERKANSING week 3
TOETSING OVERMACHT week 14
CODE nog te bepalen
AANTAL STUDIEPUNTEN 7
INGANGSEISEN geen
BEOORDELINGSSCHAAL behaald/niet behaald
Eindtermen

Onderstaande eindtermen 1, 3 en 6 die een RWA-erfgoedprofessional met een afgeronde bachelor in huis moet hebben, komen extra naar voren in deze onderwijseenheid:

  1. Heeft brede, geïntegreerde kennis en begrip van het proces en de praktijk van erfgoedvorming in heden en verleden in diverse maatschappelijke contexten.
  2. Kan vanuit de rol van erfgoedprofessional relevante en actuele onderzoeksmethoden, materialen, systemen, procedures, technieken, wetten en codes identificeren, toepassen en/of gebruiken in erfgoedprocessen en erfgoedproducten.
  3. Kent het brede erfgoedperspectief en de grenzen van de eigen professie, kan in samenwerkingsverbanden zijn of haar toegevoegde waarde laten zien en weet effectief advies in te winnen bij collega-professionals.
  4. Onderkent en analyseert complexe vraagstukken in het actuele en toekomstige erfgoeddomein, toont leiderschap en positioneert zich als een maatschappijgerichte, oplossingsgerichte en erfgoedwijze professional.
  5. Identificeert, verzamelt en analyseert relevante gegevens om op tactische, strategische en creatieve wijze erfgoedvraagstukken op te pakken.
  6. Zoekt samenwerkingen en verbindingen met specialisten en niet-specialisten, met oog voor maatschappelijke ontwikkelingen en vanuit een professionele (communicatieve, omgevingsbewuste, ondernemende en zelf reflectieve) houding.
  7. Ontwikkelt zich door zelfreflectie en zelfbeoordeling van eigen (leer)resultaten.
Beroepsproduct (analyse/ontwerp)

Je ontwerpt een schematische weergave van een praktijk/object of cultuurverschijnsel dat je zelf kiest of krijgt toegewezen. In het ontwerp breng je visueel in kaart welke verhalen en lokale en globale geschiedenissen erachter schuilgaan.

Delen